Aan jou, beste atheïst (deel 1)

Aan jou, beste atheïst (deel 1)

Door: dr. Plinio Corrêa de Oliveira

Beste? Dit bijvoeglijk naamwoord kan bij de lezers vragen oproepen. Zij hebben immers gezien hoe ik, via mijn artikelen en andere middelen, al tientallen jaren het atheïsme bestrijd, met name de meest actief imperialistische vorm die het in de loop van de geschiedenis heeft aangenomen, namelijk het Marxistisch atheïsme. Hoe kan men dan het bijvoeglijk naamwoord "beste" rechtvaardigen? De verklaring is deze:

God wil het heil van alle mensen: van de goeden, opdat zij de beloning van hun verdiensten in de hemel mogen ontvangen; van de slechten, opdat zij, door genade geraakt, mogen verbeteren en de hemel mogen bereiken. Daarom zijn, vanuit verschillende standpunten en om verschillende redenen, zowel de eersten als de laatsten God dierbaar. En als ze God dierbaar zijn, waarom zou een Katholiek dat dan niet zijn? Ja, dierbaar zelfs wanneer een Katholiek ze bestrijdt om de Kerk en het Christendom te verdedigen. Zo zou een kruisvaarder, op het moment dat hij tijdens de herovering van het Heilig Graf de strijd aanbond met een Mohammedaan, deze Mohammedaan hebben kunnen aanspreken met "dierbare broeder".

De uitdrukking "beste atheïst" is dus geldig en omvat een reeks van verschillende nuances; want er zijn nuances in atheïsme. Vanzelfsprekend is een specifieke betekenis van het woord "dierbaar" van toepassing, afhankelijk van de nuance. Zo zijn er atheïsten die zich zo verheugen over hun overtuiging dat "God niet bestaat", dat als een of ander evident feit, zoals een spectaculair wonder, hen van het tegendeel zou overtuigen, zij gemakkelijk God zouden kunnen gaan haten en Hem zelfs zouden kunnen doden, als dat mogelijk was.

Andere atheïsten zijn zo verstrikt in de dingen van de aarde dat hun atheïsme niet bestaat in het ontkennen van het bestaan van God, maar veeleer in het zich totaal niet bekommeren om de zaak. Als het onderscheid toelaatbaar is, zijn zij geen "atheïsten" in de meest radicale zin van het woord, maar eerder "a-theïsten", d.w.z. secularisten. God maakt geen deel uit van hun opvatting van het leven en de wereld. Als het voor hen bewezen zou zijn dat God bestaat, zouden zij Hem zien als iemand met wie of zonder wie de wereld gewoon door zou gaan zoals zij doet. Hun reactie zou zijn om Hem volledig en eeuwig uit de aardse zaken te bannen.

Er is nog een derde soort atheïst die, verpletterd door de moeiten en teleurstellingen van het leven, en door bittere persoonlijke ervaring duidelijk inziend dat de dingen van deze wereld niet meer zijn dan "ijdelheid en kwelling van geest" (Eccl. 1, 14), verlangt dat God zou bestaan. Maar gehinderd door de drogredenen van het atheïsme, waarvoor zij vroeger hun ziel hadden opengesteld, en gebonden door rationalistische mentale gewoonten waaraan zij hun verstand hadden gehecht, tasten zij nu in de duisternis, niet in staat de God te vinden die zij eens verwierpen. Wanneer ik over die apostrof van Jezus Christus nadenk: "Komt tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u verkwikken" (Matt. 11, 28), dan denk ik in het bijzonder aan dit soort atheïsten en voel mij bijzonder geneigd om hen "dierbare atheïsten" te noemen.

Dit verklaart het soort atheïsten tot wie deze overdenkingen in het bijzonder gericht zijn. Ik denk echter niet alleen aan hen, maar ook aan vele andere lezers die mij nog veel dierbaarder zijn: sommige broeders in het Katholieke Geloof, leden, zoals ik, van het Mystieke Lichaam van Jezus Christus. Nadat zij een verwijzing van mij naar de spiritualiteit van de heilige Louis-Marie Grignion de Montfort hadden gelezen, wilden zij dat ik nog iets meer over deze zaak zou zeggen.

Nu richt ik mij tot de zeer geachte atheïsten, in de hoop hen te raken tot in het diepst van hun ziel, in dezelfde tekst waarin ik mij richt tot mijn zeer geachte broeders in het Geloof.

Stelt u zich eens voor, beste atheïst, in een van die pauzes van het dagelijkse leven van weleer, in welke rust de aangename en diepzinnige indrukken - die de arbeid van de dag, geladen met het stof van onbeduidendheid en het zweet van inspanning, in het onderbewustzijn had gesmoord - naar de oppervlakte van de geest zouden stijgen. Dat waren de ruime ogenblikken van vrije tijd waarin het verlangen naar een glimlachend verleden, de betoveringen en de hoop op een hard maar lichtgevend heden, en de zo vaak verraderlijke fantasieën een aangename stereoscoop zouden vormen om de ziel te ontspannen, "tot rust te brengen… in dat vrolijke en blinde bedrog dat het fortuin niet toestaat lang te verdragen" (Camões, Lusiadas, Canto III, vers 120).

In de schaarse momenten van vrije tijd van vandaag, integendeel, is het het neurotische tumult van teleurstellingen, zorgen, wilde ambities en verergerde vermoeidheid dat naar de oppervlakte komt. En boven dit tumult zweeft een overweldigende, loodzware en duistere vraag: "Waarvoor leef ik?"

Folha de S. Paulo, August 31, 1980