Autoriteit is van God, maar ook voor Hem

Autoriteit is van God, maar ook voor Hem

25 november 2019 | Michael Whitcraft

Met de talloze politieke filosofieën die vandaag de dag de ronde doen, kan een nadenkende analist verward raken, en terecht. Daarom is elke bijdrage aan het debat die de grondbeginselen van de Katholieke sociale leer verduidelijkt, een baken van licht in de duisternis dat van onschatbare waarde is.

Men zou kunnen stellen dat de meest fundamentele vraag betreffende maatschappij en politiek draait om gezag. Begrijpen waar het vandaan komt, wat de grenzen ervan zijn en zelfs wanneer het kan en moet worden weerstaan, is een noodzakelijke basis voor iedereen die hoopt de stormachtige wateren van het politieke debat te kunnen bevaren.

Dit artikel heeft niet de pretentie om dit enorme onderwerp uit te putten, maar wel om enkele basisideeën te geven over wat de Kerk in dit opzicht leert. Het moet gezien worden als een beginpunt dat hopelijk de honger van de lezers zal opwekken om dieper op de zaak in te gaan en haar zelf te bestuderen.

Met dit in gedachten moet elke discussie over gezag beginnen met een begrip van de bron ervan. Op het eerste gezicht lijkt het erop dat niemand het recht heeft een ander te vertellen wat hij wel of niet moet doen. Dit vloeit voort uit het feit dat alle mensen van nature in wezen vrij en gelijk zijn.

Daarmee wordt niet ontkend dat mannen ongelijk zijn in hun capaciteiten en talenten, of in de eer die zij verdienen. Het bevestigt veeleer dat alle mensen dezelfde menselijke natuur delen. Daarin, en alleen daarin, zijn zij gelijk.

Dit betekent dat alle mensen een verstand en een wil hebben en in staat zijn genaden te ontvangen en daarmee in overeenstemming te zijn. Daarom heeft een bedelaar dezelfde mogelijkheden om zichzelf te heiligen als een koning.

De man moet dus gelijk behandeld worden wat betreft de rechten die hij heeft omdat hij mens is. Professor Plinio Corrêa de Oliveira illustreerde dit in een toespraak die hij in 1993 hield ter gelegenheid van de verschijning van zijn boek, Nobility and Traditional Elites in the Allocutions of Pope Pius XII. Daarin zei hij:

"In een notendop, de grenzen van ongelijkheid worden gevonden in de menselijke natuur. De mens, die van nature intelligent en vrij is, heeft een gemeenschappelijke waardigheid die hem tot koning van het universum maakt. Vanuit dit perspectief zijn alle mensen gelijk, en alles wat op enigerlei wijze inbreuk maakt op zijn fundamentele en aangeboren waardigheid, of op zijn natuurlijke en radicale gelijkheid, kleineert, beledigt en verminkt deze.

"Zo is ieder mens gelijk in het recht op leven en op de vruchten van zijn arbeid. Hij heeft evenzeer recht op het stichten van een gezin en het uitoefenen van gezag daarover. Hij verdient een salaris dat toereikend is om dat gezin een waardige, veilige huisvesting te bieden, een adequate, gezonde voeding, middelen om zijn kinderen een behoorlijke opvoeding te garanderen, enzovoort. Het spreekt vanzelf dat de kinderen pas mogen werken als zij oud genoeg zijn om de grondbeginselen van het onderwijs te hebben verworven.

"Aldus zijn alle mensen gelijk in hetgeen hen toekomt op grond van het loutere feit dat zij mensen zijn. "1

Dit betekent dat, vanuit een zuiver natuurlijk perspectief, de mens vrij is en dat geen mens het recht heeft een ander te bevelen. De bron van het menselijk gezag moet dus op iets buiten de menselijke natuur gegrondvest zijn.

Daarom leert de Kerk dat alle gezag op aarde van God zelf komt. Dit werd bevestigd door de Goddelijke Verlosser toen Hij, zich richtend tot Pontius Pilatus, zei: "Gij zult geen macht tegen Mij hebben, tenzij het u van boven gegeven was." (Johannes 19:11)

Zeggen dat alle gezag van God komt is echter een delicate kwestie. Het betekent niet dat elke beslissing die een leider neemt, vertegenwoordigt wat God wil.

Dit blijkt duidelijk uit dezelfde schriftpassage die hierboven is geciteerd. Onze Heer bevestigde dat het gezag van Pontius Pilatus van God kwam, en toch gebruikte Pilatus dat gezag om de grootste misdaad uit de geschiedenis te laten begaan. Dus, leiders kunnen, en doen dat soms ook, hun door God gegeven autoriteit gebruiken om tegen Zijn verlangens in te gaan.

Wanneer dit gebeurt op een ernstige manier met betrekking tot een ernstige kwestie, heeft het volk het recht, en soms de plicht, om zich tegen hen te verzetten. Dit geldt voor een president, een koning of zelfs een paus.

Hoewel dit voor de hand lijkt te liggen, is het belangrijk het te onthouden, want historisch gezien werd in verschillende delen van Europa, maar vooral in het protestantse Engeland, een ernstige dwaling verspreid die bekend staat als het Goddelijk Recht van Koningen. Een artikel in de Katholieke Encyclopedie definieert dit valse begrip in de volgende bewoordingen:

"Volgens de theorie van het Goddelijk Recht was de koning de Goddelijk ingestelde plaatsvervanger van Jezus Christus op aarde; hij was alleen aan God verantwoordelijk voor zijn daden; in naam van God bestuurde hij zijn onderdanen zowel in geestelijke als in wereldlijke zaken. "2

Met andere woorden, deze dwaling stelde dat het gezag van de koning van God kwam en dat hij in Zijn naam sprak over alle zaken. Als dit waar was, kon een koning nooit worden weerstaan of afgezet. De Kerk heeft dit standpunt nooit goedgekeurd.

Maar als dit een dwaling is, wat betekent het dan precies om te zeggen dat alle gezag van God komt?

Het wordt afgeleid uit het feit dat God de mens gemaakt heeft om in de maatschappij te leven en niet als een eenzaam individu. Dit onderscheidt hem van bepaalde leden van het dierenrijk. Bijvoorbeeld, sneeuwluipaarden zijn solitaire wezens. Eenmaal gescheiden van zijn moeder, leeft een welp de rest van zijn leven alleen en ziet slechts één keer per jaar, tijdens de paartijd, andere leden van zijn soort. Zijn eenzaamheid wordt benadrukt door het feit dat een mannelijk sneeuwluipaard een territorium kan hebben van 80 vierkante kilometer.

Zo heeft God de mens niet geschapen. De mens heeft instinctief een onverzadigbare drang om met andere mensen samen te leven, samenlevingen te vormen en sociaal te interageren. Daarom is een van de ergste straffen voor een gevangene eenzame opsluiting, waarin hij wordt afgesloten van contact met andere mensen. Volledige afzondering leidt vaak tot uitbarstingen van waanzin, zoals geestelijke verwarring, depressie, angst, paranoia en zelfs hallucinaties.

De mens heeft dus van nature de behoefte om in de maatschappij te leven en met andere mensen om te gaan. Dit is volgens de instincten van de mens; het is volgens de natuur. Het is echter ook waar dat gezag essentieel is voor de mens om in de samenleving te leven. Sterker nog, zonder gezag zou er anarchie en chaos zijn.

Als God de schepper van de natuur is, is Hij de reden waarom de mensen het instinct hebben om in een maatschappij te leven en aangezien gezag een essentieel element van de maatschappij is, betekent dit dat God indirect voorschrijft dat sommige mensen gezag over anderen hebben. God is dus de auteur van het aardse gezag en alle gezag komt van Hem.

Dit was het argument dat de heilige Thomas van Aquino aanvoerde.3

Het werd aanvaard door Paus Leo XIII en herhaald in de encycliek Immortale Dei, waarin de Paus schreef:

"Het natuurlijke instinct van de mens zet hem ertoe aan in een burgermaatschappij te leven, omdat hij, als hij alleen woont, niet kan voorzien in de noodzakelijke levensbehoeften, noch zich de middelen kan verschaffen om zijn geestelijke en zedelijke vermogens te ontwikkelen. Daarom is het goddelijk verordend dat hij zijn leven, of het nu in gezinsverband, sociaal of burgerlijk is, leidt met zijn medemensen, onder wie alleen in zijn verschillende behoeften kan worden voorzien. Maar omdat geen samenleving bijeen kan blijven tenzij er iemand is die over allen heerst en allen oproept zich ernstig in te zetten voor het algemeen welzijn, moet iedere beschaafde gemeenschap een heersend gezag hebben, en dit gezag, niet minder dan de samenleving zelf, heeft zijn bron in de natuur, en heeft bijgevolg God als zijn auteur. Hieruit volgt dat alle openbare macht van God moet uitgaan. Want God alleen is de ware en opperste Heer van de wereld. Alles zonder enige uitzondering moet aan Hem onderworpen zijn en Hem dienen, zodat wie het recht heeft te regeren, dit recht bezit uit één enkele en enige bron, namelijk God, de soevereine Heerser over allen. "4

Deze werkelijkheid is troostrijk. Het betekent dat wanneer iemand een legitieme autoriteit gehoorzaamt, hij God zelf gehoorzaamt. Het betekent echter ook dat zij die gezag hebben, verplicht zijn Gods Wil te bevorderen, want het moet verkeerd zijn gezag van God te ontvangen en dat gezag te gebruiken om iets anders te bevorderen dan wat Hij verlangt.

Niettemin zijn er tijden waarin dit precies is wat er gebeurt. Wanneer dit gebeurt, hoe moet men dan reageren?

Het antwoord is te vinden in hoofdstuk 5 van de Handelingen van de Apostelen. Daarin verhaalt de H. Lucas hoe de Apostelen naar Jeruzalem gingen om te prediken. Toen zij de heilige stad bereikten, legden de inwoners hun zieken in bedden op straat. De heilige Petrus liep voor hen uit en alleen al het contact met zijn schaduw genas hen!

Toen de Sadduceeën dit zagen, waren zij zeer verontrust. Zij zagen in de ontluikende Kerk de macht om hun positie volledig omver te werpen. Daarom lieten zij de apostelen gevangen nemen en verboden hen te onderwijzen in de naam van Onze Heer Jezus Christus.

Die avond bevrijdde God hen op wonderbaarlijke wijze en de volgende morgen werden zij weer in de tempel gevonden om in de naam van Onze Heer te prediken. Opnieuw grepen de Sadduceeën hen aan en ditmaal beschuldigden zij hen van ongehoorzaamheid.

De heilige Petrus wist dat hun bevelen in strijd waren met de wil van God. Hij wist dat het zijn door God gegeven zending was om de wereld te bekeren. Dit was hem geopenbaard kort na de verrijzenis toen Onze Heer hem zei: "Mij is gegeven alle macht in de hemel en op aarde. Gaat dan heen, onderwijst alle volken, doopt hen in de naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes. En hun lerend alles in acht te nemen, wat Ik u bevolen heb." (Mattheüs 28:18-20)

Er was dus een duidelijke tegenstrijdigheid tussen de wil van aardse oversten en Gods opdracht. Geconfronteerd hiermee, antwoordde de heilige Petrus: "Wij moeten God gehoorzamen, en niet de mensen." (Handelingen 5:29)

Op deze wijze bracht Sint Petrus een belangrijk principe tot uitdrukking dat het gedrag van de mens ten opzichte van gezag moet beheersen. Het is dat Gods gezag boven dat van de mens gaat.

Met andere woorden, zonder te ontkennen dat de Sadduceeën het ware gezag in Jeruzalem hadden, bevestigde hij het bestaan van een hogere Macht aan wie hij trouw zou zijn. En omdat er geen gezag te bedenken is dat hoger is dan God, is er ook niemand die gehoorzaamd moet worden in strijd met Gods wil.

De plicht van een gelovig Katholiek ligt dus in de erkenning van twee beginselen: 1. Alle gezag komt van God en dus maakt God doorgaans zijn Wil op aarde bekend door de bevelen van legitieme gezagsdragers hier op aarde.

Maar aangezien aardse gezagsdragers in staat zijn om Gods wil tegen te spreken, bestaat de plicht van de mens er ook in om zich te verzetten tegen het aardse gezag wanneer dit duidelijk in strijd is met Gods wensen met betrekking tot een ernstige zaak. Wanneer dit gebeurt, moet men de woorden van Sint Petrus toepassen. "Wij moeten God gehoorzamen en niet de mensen."

Het is belangrijk op te merken dat dit verzet niet betekent dat men gerechtvaardigd is in ongehoorzaamheid aan de wettige bevelen van de gezagsdrager waartegen men zich verzet.

Bijvoorbeeld, als een ouder een kind verbiedt zijn roeping te volgen, dan is het gerechtvaardigd dat het kind de ouder op dit punt ongehoorzaam is. Dit betekent echter niet, dat het kind kan weigeren het vuilnis buiten te zetten, wanneer de ouders hem dit opdragen.

De goede orde eist dat een gelovig Katholiek het gezag in alles gehoorzaamt zolang dat gezag legitiem is. Zo is hij in alle dingen trouw aan God.

Dit is een moeilijke weg, maar een heel mooie weg. Het is de weg die professor Plinio Corrêa de Oliveira in 1975 onsterfelijk maakte tegenover het verdwalende Kerkelijke gezag.

Toen nam het Vaticaan een officieel standpunt in van lankmoedigheid ten opzichte van het communisme. In plaats van het te blijven confronteren als een ernstig kwaad dat de mensheid bedreigt, zou het echter een angstaanjagend tolerant standpunt moeten innemen. De toenmalige secretaris van de Raad voor Publieke Zaken van het Vaticaan, aartsbisschop Agostino Casaroli, gaf hiervan blijk.

Na terugkomst van een reis naar Cuba beweerde de aartsbisschop dat de Katholieken op het eiland zijn gevangenis werden gerespecteerd voor hun geloof, geen probleem hadden met de regering en gelukkig waren onder het communistische regime.

Zijn woorden vertegenwoordigden een beleid dat in strijd was met de uitdrukkelijke wil van God, zoals blijkt uit talloze Pauselijke veroordelingen tegen het communisme die decennia lang zijn uitgevaardigd. Geconfronteerd met deze tegenstrijdigheid schreef professor Corrêa de Oliveira een openbare stellingname onder de titel: Het Vaticaanse beleid van vriendschap met communistische regeringen - Moeten de TFP's zich terugtrekken? Of moeten zij zich verzetten? Het document is een verbluffend voorbeeld van respect, onverzettelijkheid en evenwichtheid tegenover een autoriteit die zichzelf in tegenspraak met Gods Wil heeft geplaatst.

Nadat hij had aangetoond dat de politiek van ontspanning van paus Paulus VI een duidelijke schending was van de verplichtingen van elke gelovige Katholiek tegenover de communistische agressie, zei hij:

"De band van gehoorzaamheid aan de opvolger van Petrus, die wij nooit zullen verbreken, die wij in het diepst van onze ziel liefhebben en waaraan wij onze hoogste liefde bewijzen, deze band kussen wij op het moment dat wij, overweldigd door verdriet, onze positie bevestigen. En op onze knieën, met verering starend naar de gestalte van Zijne Heiligheid Paulus VI, betuigen wij al onze trouw aan hem.

"In deze kinderlijke handeling zeggen wij tot de Herder der Herders: Onze ziel is de uwe, ons leven is het uwe. Beveel ons te doen wat U wilt. Beveel ons alleen niet om niets te doen tegenover de aanvallende rode wolf. Daartegen is ons geweten in verzet."

Dit citaat is een perfecte balans tussen respect voor gezag en weerstand tegen dwaling. Professor Corrêa de Oliveira toonde hierin het grootste respect voor het gezag van de Paus, maar bleef toch trouw aan het decreet van de eerste Paus, de heilige Petrus. Hij gehoorzaamde God en niet de mensen.

Voetnoten

Katholieke Encyclopedie, editie 1917, artikel over : "Burgerlijke Allegiance", laatst geraadpleegd op 5 november 2019, http://www.newadvent.org/cathen/03794b.htm.

Cf., Ibid, artikel over "Civil Authority," (laatst geraadpleegd op 5 november 2019,) http://www.newadvent.org/cathen/02137c.htm.

Paus Leo XIII, Immortale Dei, paragraaf #3, (laatst geraadpleegd op 5 november 2019,) http://w2.vatican.va/content/leo-xiii/en/encyclicals/documents/hf_l-xiii_enc_01111885_immortale-dei.html.