Bron van leven en waardigheid

Bron van leven en waardigheid

St. Augustinus en zijn moeder Monica van Tagaste

In Boek I van de Stad van God zet St. Augustinus de Grieks-Romeinse (heidense) en Christelijke opvattingen over waardigheid tegenover elkaar.

Cato de Jongere en Lucretia zijn toonbeelden van heidense deugden, respectievelijk van de man en de vrouw. Zij pleegden zelfmoord uit een sterk gevoel van waardigheid. Lucretia pleegde zelfmoord om te protesteren tegen haar onschuld als slachtoffer van verkrachting; Cato de Jongere, een stoïcijn, zou liever sterven als vrij man dan leven onder de heerschappij van een tiran.

Deze opvatting van waardigheid komt niet alleen tot uiting in het oude Rome, maar ook in het oude China. Er is een Chinees gezegde, "宁为玉碎,不为瓦全", dat letterlijk betekent, "Liever gebroken worden als jade(edelsteen), dan behouden worden als klei". De achterliggende gedachte is dat sommige levens zo onwaardig zijn dat ze het leven niet waard zijn. In de moderne tijd heeft dit idee vele uitdrukkingen gevonden, waaronder Patrick Henry's toespraak: "Geef me vrijheid, of geef me de dood!"

Net als Tertullianus voor hem, ziet St. Augustinus duidelijk de paradigmaverschuiving die het Christendom scheidt van het humanisme, gebaseerd op heidense waarden. De menselijke waardigheid is onderworpen aan menselijke meningen, die in het beste geval wisselvallig en gebrekkig zijn, in het slechtste geval wreed en verdorven. Als sommige levens het leven waard zijn en andere niet, dan zou niet alleen zelfmoord, maar ook kindermoord, abortus en andere vormen van doodslag gerechtvaardigd zijn. Een voorbeeld hiervan in het oude Rome is dat zuigelingen door hun ouders werden blootgesteld om te sterven.

Om het ronduit te zeggen: de menselijke waardigheid wordt een verraderlijke afgod, wanneer onschuldige slachtoffers op haar altaar worden geofferd. St. Augustinus vraagt indringend: "Als Lucretia overspelig was, waarom moeten we haar dan prijzen? Als ze kuis was, waarom moest ze zichzelf dan dan doden?"

Daarentegen leert het Christendom dat ieder mens een intrinsieke waardigheid heeft, omdat hij naar het beeld van God is geschapen, en dat niemand het recht of de bevoegdheid heeft, tenzij hij die bevoegdheid van God heeft gekregen, om een leven te vernietigen, omdat alle levens aan hun Schepper toebehoren. De menselijke waardigheid bereikt haar hoogste vervulling in de Persoon van Christus. In Christus is er kuisheid en reinheid boven de verontreiniging van de mens; in Christus is er vrijheid boven alle tirannie van de mens; in Christus is er eeuwige liefde boven de wisselvalligheid van de menselijke genegenheid. Vanaf dat perspectief is elk leven het waard om uitgeleefd te worden, zelfs een leven vol vernedering, pijn en lijden is het waard om geleefd te worden in de ogen van God. Want dat is het leven dat Jezus op aarde heeft geleefd, en dat is het offervaardige leven dat vele Christenen door de geschiedenis heen hebben uitgeleefd.

Menselijke waardigheid in sociale relaties

Waardigheid en wederzijds respect in de omgang met mensen maken het sociale leven draaglijk en zelfs aangenaam. Door de droevige gevolgen van de erfzonde, gekoppeld aan de vulgariteit van onze tijd, wordt het menselijk samenzijn zonder waardigheid onmogelijk of op zijn minst een ondraaglijke last.

Als men wil dat sociale relaties onderhoudend en aangenaam zijn, dan moet men zich nooit een geest van overdreven intimiteit veroorloven. Dit betekent niet dat men geen intimiteit met een ander mag hebben. Wat het wel betekent, is dat deze intimiteit doordrenkt moet zijn met een groot respect. Echte vriendschap kan alleen bestaan als zij gebaseerd is op de liefde tot God en op de bovengenoemde beginselen. Als deze niet aanwezig zijn, zal het resulterende convivium saai zijn.