De impact van religie op onderwijs

3 mei 2015 | John Horvat II

Onderwijs en religie worden vaak gezien als onverenigbaar.

Binnen het liberale onderwijsbestel heerst de opvatting dat religieus geloof achterlijk is en strijdig met verlichting. Scholen zijn lang gezien als de poort naar een glorieuze seculiere en technologische toekomst, vrij van religieus bijgeloof.

Het doel van onderwijs is tenslotte om kinderen "klaar te stomen voor de arbeidsmarkt en de universiteit", niet om karakter of morele gevoelens bij te brengen. Sommige opvoeders gaan zelfs zover dat zij insinueren dat hoe minder religieuze invloed student ontvangt, hoe beter.

Dergelijke overtuigingen zouden overtuigender zijn als zij op feiten waren gebaseerd. Het zou goed zijn om serieuze proefondervindelijke studies te zien die bewijzen dat deze vooroordelen tegen de invloed van religie gerechtvaardigd zijn. Maar al te vaak worden de veronderstellingen eenvoudigweg verkondigd zonder bewijzen. Het publiek wordt gevraagd ze zonder meer te aanvaarden.

In een boek gepubliceerd door de Amerikaanse socioloog Robert Putnam: Our Kids: The American Dream in Crisis, haalt hij veel van dergelijke studies aan en het bewijs is overweldigend. Zijn conclusie is dat religie niet alleen een goede, maar zelfs een grote invloed heeft op het succes van de opvoeding van een kind.

"Vergeleken met hun onkerkelijke leeftijdgenoten", schrijft Putnam, "volgen jongeren die betrokken zijn bij een religieuze organisatie moeilijkere vakken, halen ze hogere cijfers en testscores, en is de kans kleiner dat ze de middelbare school voortijdig verlaten."

Bovendien hebben kerkgaande jongeren betere relaties met hun ouders. Ze zijn meer betrokken bij sport en buitenschoolse activiteiten. En misbruiken ze minder snel alcohol en drugs die het leren belemmeren. Met andere woorden, de morele vorming onder invloed van religie biedt het kader waarbinnen leerlingen zich kunnen ontplooien.

Nog verrassender is de bevinding dat godsdienst niet het domein is van de onverlichte lagere klassen van de samenleving, zoals vaak wordt geïnsinueerd. In feite zijn leerlingen uit welgestelde gezinnen nu veel vaker betrokken bij godsdienst dan leerlingen uit armere gezinnen. Godsdienst is een belangrijk onderdeel van de combinatie die velen van hen in staat stelt later in het leven succes te boeken.

Alsof dat nog niet genoeg is, zijn door godsdienst verlichte studenten geneigd hoger onderwijs te zoeken. Putnam citeert studies die aantonen dat een kind waarvan de ouders regelmatig naar de kerk gaan 40 tot 50 procent meer kans heeft om een universitaire opleiding te volgen dan een gelijkaardig kind van ouders die niet naar de kerk gaan.

Op basis van dergelijk bewijs dat duidelijk een positieve invloed aantoont, zouden scholen op zijn minst moeten erkennen dat religieuze betrokkenheid in huis de educatieve ontwikkeling van kinderen bevordert.

Het trieste feit is dat, terwijl godsdienst goed is voor het onderwijs, het onderwijs niet goed is voor godsdienst. De onderwijsinstelling behandelt godsdienst alsof het een dodelijke ziekte is, en niet een zegen voor het kind.

De minste verwijzing naar het Christendom wordt steeds grondiger uit de scholen geweerd dan uit een Svjetklas. Er wordt een seculiere quarantaine opgelegd op school door verwijzingen naar Kerstmis en andere Christelijke feestdagen, die als giftig voor het kind worden beschouwd, te schrappen uit hun onderwijs. Tegelijkertijd zijn immoreel of antireligieus materiaal en programma's vrij in de omloop en worden die gestimuleerd. Het is ondanks, niet dankzij, het onderwijsbeleid dat kerkgaande leerlingen het beter doen.

Terwijl godsdienst ertoe bijdraagt dat studenten naar de universiteit gaan, heeft de universiteit de neiging godsdienst uit de studenten te halen. Het is een triest feit dat veel studenten op de campus een sfeer aantreffen die hun moraal corrumpeert en hun geloof uitholt. Openlijk vijandige professoren vallen Christelijke principes en overtuigingen aan en maken ze belachelijk. Het is bijna een ritueel geworden dat studenten hun geloof verliezen aan de universiteit.

Het welzijn van de student zou een belangrijke zorg moeten zijn voor opvoeders. Alle positieve invloeden op het kind moeten worden aangemoedigd, niet afgeschaft - vooral als de invloed bewezen effectief is. In die zin zou het onderwijs veel beter zijn als het tenminste niet vijandig stond tegenover God en godsdienst, en hoeveel beter zou het zijn als het onderwijsbeleid gebaseerd zou zijn op feiten, in plaats van vooroordelen?