Het bedrog van het atheïstisch Communisme

Het bedrog van het atheïstisch Communisme

Door dr. Plinio Corrêa de Oliveira

"Geschiedenis is de leermeester van het leven"

"Geschiedenis is de leermeester van het leven", zei Cicero. Niets is nuttiger voor het begrijpen van sommige van de levendigste aspecten van de moderne werkelijkheid dan de studie van analoge situaties uit het verleden.

Het is bekend dat gedurende de twintig eeuwen van de geschiedenis van de Katholieke Kerk de ene ketterij na de andere de kop opstak. De meest recente daarvan is het progressivisme, een slecht verhulde opleving van het modernisme dat Sint Pius X aan het begin van de 20e eeuw veroordeelde.

Het grote publiek heeft vage en niet zelden onnauwkeurige ideeën over de manier waarop deze verschillende ketterse stromingen zich van de Kerk hebben afgescheiden. De meeste mensen denken bijvoorbeeld dat de breuk van Luther met de Kerk in vier fasen verliep: 1) hij ontwikkelde een leer die strijdig was met de Katholieke leer; 2) toen, zich bewust van de ideologische tegenstelling, kwam hij in opstand, brak met de Kerk en stichtte een evangelische sekte; 3) als gevolg daarvan dreigde de Kerk hem met excommunicatie tenzij hij zijn dwalingen zou afzweren; 4) Luther volhardde in zijn doctrinaire standpunt, werd geëxcommuniceerd en de breuk was voltooid. Zo verliet Luther zogenaamd de Kerk omdat hij dat wilde, wanneer hij dat wilde, en zoals hij dat wilde. Hij verliet Haar zoals de verloren zoon het huis van zijn vader verliet: openlijk, openhartig en zijn vader van tevoren op de hoogte brengend.

De geschiedenis leert ons echter, dat in het geval van Luther, evenals in dat van de andere grote ketterijen, het proces van scheiding heel wat ingewikkelder was. De reden is dat bepaalde ketters - misschien wel de meesten - geenszins met een klap van de deur uit de Kerk wilden gaan. Zij waren veel te diplomatiek en subtiel om zo'n simpele manier te kiezen om hun doelen te bereiken. Zij kozen ervoor om zich als een cyste aan de Kerk vast te klampen om heimelijk ketterij onder de gelovigen te verspreiden. Als dit systeem zou werken, zouden de kettervorsten in staat zijn om alle structuren van de Kerk van boven tot onder te infiltreren.

Om die reden probeerden de stichters van de ketterij, hoewel zij zich ervan bewust waren dat hun denken onverenigbaar was met het Katholicisme, hun stelregels te formuleren in bewoordingen die schijnbaar verenigbaar waren met de orthodoxe theologie. Indien zij dergelijke voorzorgsmaatregelen niet hadden genomen, zouden zij in feite gemakkelijk als ketters zijn geïdentificeerd en veroordeeld. Alle Katholieken zouden zich tegen hen en hun doctrines gekeerd hebben. Het infiltratieproces van de ketters zou ipso facto tot stilstand zijn gekomen, en zij zouden het risico hebben gelopen niet meer dan een handvol afvalligen met zich mee te nemen.

Vanuit dit gezichtspunt is het niet moeilijk om de mijlpalen te begrijpen in het proces van afscheiding van de Kerk door de meest subtiele ketters: 1) de ketter bedenkt zijn heterodoxe leer en geeft er een formulering aan die op het eerste gezicht orthodox lijkt; 2) de ketter begint zijn gecamoufleerde dwaling te verspreiden en trekt onoplettende volgelingen aan die hij verzamelt in groepen die door zijn enthousiastelingen worden gecontroleerd; 3) in het geheim worden zijn volgelingen de flagrante dwaling onderwezen, maar zij krijgen het advies deze op een versluierde manier te verspreiden; 4) als de nieuwe sekte zich begint te verspreiden, gaan er stemmen op onder de echte Katholieken die de nieuwe ketterij aan de kaak stellen; 5) de aanhangers verdedigen zich door te beweren dat zij orthodox zijn en op een gemene manier worden belasterd; 6) de Kerk onderzoekt de controverse, verklaart de nieuwe leer tot ketterij en excommuniceert de aanhangers ervan.

Er is dus een klasse van heresiarchen en ketters die zich niet uit de Kerk haasten, maar binnen wensen te blijven, vissend in troebele wateren. Het is noodzakelijk hen uit te roeien met pure kracht door het toepassen van geestelijke straffen.

Het eigenaardige karakter van deze sektariërs verklaart waarom hun proces van scheiding van de Kerk soms niet eens eindigt in excommunicatie. Als de ketterij eenmaal is veroordeeld, lijkt zij te zijn gestorven; maar binnen korte tijd steekt zij opnieuw de kop op... binnen de Kerk. Bijvoorbeeld, toen het Arianisme, de beroemde ketterij van de 4e eeuw, eenmaal was veroordeeld, viel de Ariaanse sekte uiteen. Maar spoedig daarna kwam zij weer op binnen de Katholieke gelederen, met gebruikmaking van uitdrukkingen die doctrines camoufleerden die minder radicaal waren dan die van Arius, maar geïnspireerd op zijn denken. Zo ontstond het zogenaamde semi-Arianisme.

Bijgevolg was het noodzakelijk voor de Kerk om een nieuwe inspanning te doen om deze nieuwe ketterij op te sporen, te definiëren en te veroordelen, en het kankergezwel dat opnieuw in haar was opgekomen, uit te roeien.

Wat is de hoogste ambitie van een verhulde ketterij? Wat hopen haar leiders met deze infiltratietactiek? Het is niet alleen om veel volgelingen te werven onder de gelovigen. Het is om priesters, bisschoppen, kardinalen, en zelfs, als zij erin slagen, een Paus, aan hun kant te krijgen. Welke extremen kunnen de dromen van de ketters over het rijk niet bereiken!

* * *

Het proces van de vorming van het Communisme was heel anders. De stichter ervan was geen Katholiek. De aanhangers werden gerekruteerd onder mensen die nooit geloofd hadden of het geloof helemaal verloren hadden. Telkens wanneer de Marxistische sekte nieuwe rekruten vond, braken zij openlijk met de Kerk.

Het lijkt echter duidelijk dat in onze dagen het Communisme zijn tactiek verandert en probeert, althans in grote mate, de subtiele manoeuvres van de versluierde ketterijen na te bootsen. Met andere woorden, het Marxisme neemt nu de gedaante aan van een koster en tracht wortel te schieten in de Kerk om haar te veroveren. In het besef dat de honderd jaar durende strijd tegen de Kerk van buitenaf mislukt is, probeert het haar nu van binnenuit te doden.

Hoe wordt dit gedaan? Op duizend manieren. Ik heb hier niet genoeg ruimte om deze immense manoeuvre in al zijn aspecten te beschrijven. Ik zal mij beperken tot één karakteristiek ervan.

Zo komen we bij het bedrog van het "atheïstisch Communisme". De uitdrukking is legitiem; zij komt voor in de pontificale documenten. Zij is gebaseerd op het feit dat het Communisme een uitgebreid stelsel van dwalingen is, waarvan het atheïsme de ernstigste en meest opvallende is. Het is dus logisch dat het algemeen wordt aangeduid als "atheïstisch Communisme".

Maar nu zijn Katholieke kringen, doordrongen van communistische invloeden, begonnen de uitdrukking grillig te interpreteren. Als de pausen het atheïstisch Communisme veroordelen, zo redeneren zij, dan is dat alleen omdat het atheïstisch is. Als er dus een niet-atheïstische stroming in het Communisme zou bestaan, zou de Kerk daartegen uiteraard niet het minste bezwaar hebben.

Deze uitvlucht, want dat is het, komt erop neer dat de pausen nooit iets anders in het Communisme hebben veroordeeld dan het atheïsme ervan. Alleen al het lezen van de documenten van Leo XIII is voldoende om te zien dat dit volstrekt onjuist is. De Kerk veroordeelt in feite ook de politieke, sociale en economische leerstellingen van het Communisme. Een authentiek Katholiek kan deze niet aanvaarden, ook al worden ze voorgesteld zonder enig verband met atheïsme.

Zo is bijvoorbeeld de bevestiging van de orthodoxie van een door de Communisten geïnspireerd programma van sociale hervormingen, dat echtscheiding, vrije liefde en volledige promiscuïteit in de seksuele betrekkingen omvat, in flagrante tegenspraak met de Katholieke moraal. Dit is zelfs zo wanneer de voorstanders van deze hervormingen de sacramenten frequenteren.

Wat ik zeg over seksuele promiscuïteit geldt evenzeer voor collectief eigendom, dat wil zeggen, een economisch systeem dat individueel eigendom uitsluit. Wie zegt in God te geloven, maar de invoering van zo'n systeem wenst, is tegen de Kerk.

Wat heeft de communistische propaganda te winnen bij dit leerstellige schimmenspel dat gespeeld wordt met de uitdrukking "atheïstisch Communisme"? Zij slaagt erin bij ontelbare Katholieken de illusie te wekken dat zij, afgezien van het atheïsme, in alle andere opzichten communistisch kunnen zijn. Dit is een volmaakt bedrog.

In de mate dat dit verraderlijke manoeuvre ongehinderd doorgaat, zullen we het Communisme diep geworteld hebben in Katholieke kringen, zoals we vroeger het ontluikende Arianisme en Protestantisme hadden.

In het aangezicht van dit panorama zijn authentieke Katholieken met afschuw vervuld. De communisten lachen. Want wie zal hen uit Katholieke kringen uitroeien als de tendens in de Kerk om niemand te excommuniceren voortduurt?

("Folha de S. Paulo", 14 maart 1971)